Pagina 2

April 2017
Midden in de nacht op tien kilometer hoogte. Ik ben werkend onderweg naar Angola. Terwijl de meeste passagiers proberen te slapen in hun stoel zorg ik samen met de andere stewardessen dat het ze aan niets ontbreekt.
Deze vlucht heb ik bewust aangevraagd. Om de rust te zoeken, een paar dagen aan het strand. Ik heb behoefte aan rust maar kan het totaal niet vinden. En ondanks het vooruitzicht van de zon en de zee kan ik alleen maar denken: waarom, waarom doe ik dit mezelf aan, en vooral mijn dochter.
Een paar uur eerder:
Hartverscheurend huilend zit ze op de trap.
‘Mama, je bent steeds bozig en gestrest en je reageert het op ons en papa af, ik vind het niet leuk.’
Ik denk alleen maar: stop, stop alsjeblieft met huilen, want ik kan je niet troosten. Wetende dat ook ik zal gaan huilen zodra ik haar snikkende lijf tegen me aan trek.
Stug ga ik door met mijn voorbereidingen om weg te gaan, mijn eigen gevoel hardnekkig negerend. Praktisch en rationeel: ik moet mijn uniform aan, ik moet mijn haar kammen, ik moet nu vooral door. Niet naar je dochter kijken, want dan zie je wat je zelf ook eigenlijk wel weet: je bent niet goed bezig. Ik kan haar ook zo niet achterlaten. Denk na, wat kan ik zeggen om haar verdriet te stoppen? Ik spreek maar een belofte uit, ook al weet ik niet of ik hem kan houden.
‘Fien, dit is voorlopig echt mijn laatste lange reis, en dan zal ik tot Kerstmis niet lang meer weggaan, oké? En ik ga heel veel op kantoor werken, dan ben ik gewoon in Nederland. Ik zal komende week ook heel veel appjes sturen.’
Dat helpt natuurlijk niet, ze is slim.
‘Maar ik wil niet dat je weggaat, zit ik weer met alleen maar jongens in huis, ik mis jou gewoon.’
Mijn hart breekt, ik sla mijn armen om haar heen en bijt hard op mijn wang. Als ik nu ga huilen, stop ik niet meer. Dat voel ik

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *